Erbij horen

Zondag horen we in het evangelie een zin die tot de meest bekende behoort van het Nieuwe Testament: Gij zijt het zout der aarde. Hoe dit kan begrepen worden is minder bekend. Jezus zei deze zin tot zijn volgelingen. Dat waren niet de schriftgeleerden en farizeeërs, de uitverkoren elite van het volk. Integendeel, Jezus sprak tot mensen die niet echt meetelden, buitenstaanders. Ze leden aan allerlei kwalen, waren arm, bang, gebroken, vervreemd of opgejaagd, leefden in onmacht en vertwijfeling. Ze hadden geen hoge dunk van zichzelf, ze behoorden niet tot de knapste koppen van het land, waren niet bij de slimsten, de sterksten. Tot hen zegt Jezus: jullie zijn het zout voor de wereld. En ook: jullie zijn het licht voor de wereld.

Tot deze mensen, die nergens meetelden, zei Jezus: jullie zijn zeer waardevol, jullie zijn het volkomen waard om er te zijn. Jezus liet hen voelen wat het betekent om erbij te mogen horen. Vanuit hun persoonlijke ervaring van uitgesloten zijn, verstonden zij zonder moeite wat de ware boodschap van Jezus was, wat werkelijke menselijkheid inhoudt.

Zout brengt smaak in het eten, en zorgt ervoor dat het niet bederft. Zout is – zeker in de tijd van Jezus – ook kostbaar. Licht geeft klaarheid en richting, het wordt niet weggestopt.

Met zout en licht, daarmee vergeleek Jezus zijn volgelingen. Zij hebben geen macht, geen rijkdom, geen speciale krachten om de wereld te veranderen. En toch, zonder zout is het voedsel flets en gaat het snel verrotten. Zonder licht verdwalen we. Jezus geloofde méér in deze mensen dan ze voor zichzelf aandurfden. Hun plaats, hun rol in de samenleving achtte hij onvervangbaar. Zij die niet meetellen in de maatschappij zijn waarschijnlijk de enigen die echt weten wat menselijkheid betekent. Enkel zij kennen het verschil tussen erbij horen en over het hoofd gezien worden. Daarom mag hun licht niet weggemoffeld worden, niet onder de korenmaat gezet. Het moet op de staander.