Niet in het graf

We zijn in de laatste dagen voor Pasen, in de Goede Week. Op dit jaarlijks hoogtepunt vieren we dat de dood niet het laatste woord heeft, dat het leven sterker is. Maar zondag zal dit feest niet uitbundig gevierd kunnen worden. Om mekaar en onszelf te beschermen moeten we nog steeds thuisblijven.

Bovendien krijgen we dagelijks nieuwe cijfers van mensen die overleden zijn. Op Paaszondag zal dat niet anders zijn. De dood, een realiteit die we in andere tijden ver van ons weg houden, is dichterbij gekomen. Maar het leven blijft heel nadrukkelijk aanwezig, in de muziek die we blijven maken, in de kinderen die al wandelend de beertjes tellen achter de ramen, in de mensen die zoveel essentiƫle diensten voor ons leveren in ziekenhuizen, supermarkten, bedrijven en overheidsdiensten.

Tweeduizend jaar geleden gingen enkele vrouwen op paasdag naar het graf van Jezus. Voor hen was de dood heel dichtbij gekomen, de dood had hen persoonlijk in de ogen gekeken. Hun geliefde Jezus was gestorven, vermoord met vreselijke martelingen. De vrouwen waren er al bij geweest toen Jezus in het graf gelegd werd. Nu gingen ze er weer naartoe. Ze deden wat mensen altijd doen, ook wij: naar het graf van onze geliefden gaan, meer dan eens.

Bij het graf wordt immers alles pijnlijk concreet, duidelijk voelbaar. De geliefde is er niet meer, het verlies is als een stuk dat uit ons lijf is gesneden. Daar dringt het in alle scherpte door hoeveel de geliefde heeft betekend voor ons. Tegelijk wordt net daar ook stilaan duidelijk dat niet alles eindigt met het graf. Hoewel het de bedoeling was geweest van de machthebbers om voor eens en voor altijd komaf te maken met Jezus, ervaarden de vrouwen dat het tegendeel waar was. Dat, wat een mens is, laat zich uiteindelijk niet dood maken.

Het leven van Jezus, zijn handelen en spreken, het was een voortdurend opwekken geweest van mensen uit hun ziekte, uit hun angst en vertwijfeling, zelfs uit hun dood. Waar Jezus kwam, verdwenen verlamming en waanzin, melaatsheid en uitsluiting. Die menselijkheid kon niet gedood worden, niet in een graf weggestopt worden. Jezus had een menselijkheid in de wereld gebracht op een manier die haar definitief onuitroeibaar maakte. Zijn menselijkheid was onsterfelijk. Zijn sterven was niet het einde. De vrouwen begrepen dat de ware Jezus niet meer in het graf moest gezocht worden, maar in het leven.