De intocht van Jezus in Jeruzalem met zijn volgelingen en leerlingen is bekend: een stoet met juichende, blije mensen. Maar het belangrijkste deel van de stoet, het hoofdpersonage, maakte er blijkbaar een grap van, een farce. Jezus zat niet triomfantelijk op een paard, maar op een ezelsveulen. De omstaanders hoopten op een nieuw koninkrijk, want de Romeinen bezetten het land al tientallen jaren. Maar wat wilde Jezus dan?
Zijn keuze voor een ezel was zeer bewust, het is geen terloops detail in het evangelie, het wordt uitgebreid beschreven. Een ezel is een lastdier, enkel arme en onbeduidende mensen zullen hem berijden. Volledig het tegendeel van een koning dus, ook al hadden de volgelingen van Jezus het toen waarschijnlijk niet zo begrepen. Jezus’ intocht had voor hem niet de klassieke zegevierende betekenis.
Jezus ging met de stoet recht naar de tempel en nam daar alles in ogenschouw. Zo staat het in de zin na het evangelie. Hij ging niet naar het paleis van de Romeinse gouverneur, zijn bedoelingen waren niet politiek. Hij ging naar het hart van de Joodse godsdienst, het domein van de hogepriesters, de oudsten en de schriftgeleerden. Voor Jezus was het moment gekomen om de zaak van God op scherp te zetten.
Hoelang nog wilden de religieuze leiders de godsdienst als een machtsmiddel gebruiken, om mensen klein en bang te houden? Wanneer zouden ze stoppen met God weg te houden van mensen, eerder dan God dicht bij hen te brengen? Hoelang nog gingen ze de godsdienst gebruiken om hun eigen voortreffelijkheid in de verf te zetten, in contrast met de zondigheid en verlorenheid van de mensen?
Wanneer zouden ze eindelijk de deuren van de tempel openen voor het verdwaalde schaap, de verloren zoon, de lamme en melaatse, de uitgestotene? Vandaag zou Jezus misschien vragen wanneer eindelijk de deuren van de tempel zullen opengaan voor de vrouwen die een leidende rol kunnen opnemen, voor de homoseksuele koppels die hun eeuwige liefde gezegend wensen, voor de christenen die niet katholiek maar protestants, orthodox of anglicaans zijn, voor alle mensen van goede wil?
Op Palmzondag komt Jezus zéér dichtbij. Hij is niet meer in het verre Galilea, aan het werk tussen eenvoudige lieden die wel wat opbeuring en verheffing kunnen gebruiken. Neen, nu staat hij binnen de muren, voor onze neus, om ons voor de keuze te zetten: hoelang nog ga jij denken dat enkel de voortreffelijken en de uitverkorenen God welgevallig zijn? (Mc 11, 1-10)