Hij is nog niet gespot in Kampenhout, maar de wolf is terug in Vlaanderen. Natuurliefhebbers zijn opgetogen, want de wolf is een belangrijke schakel in het ecologisch evenwicht. Het wringt natuurlijk, want de wolf is gevaarlijk. Hij is trouwens een symbool van het kwade, het boze. De mens had vele redenen om de wolf ongenadig te verjagen en uit te roeien.
In het evangelie zondag spreekt Jezus ook over de wolf, de schrik van de schaapherders. Het romantische beeld van de herder – rustig in de mooie natuur omringd door lieve schapen in een vredige avondzon, wie kent de schilderijtjes niet … – is hiermee dus weggevaagd. De herder moet voortdurend op de uitkijk blijven. Schapen kennen de weg naar huis niet: als ze van de groep afdwalen, zijn ze verloren. Ze kunnen zich uiteraard ook niet verweren tegen de wolf.
Vandaag wil de mens niet vergeleken worden met een schaap. Het is een beeld dat onze godsdienst dikwijls gebruikte, maar de moderne mens vindt dat onaanvaardbaar. Hij is zelfredzaam en kan alle problemen oplossen. God is hierbij niet nodig.
Uiteraard is de mens geen schaap. Maar hij is niet almachtig. Er zijn periodes dat hij niet meer weet hoe hij thuis moet geraken, dat hij vergeten is waar zijn thuis is. Soms heeft een wolf hem in de gaten en is hij machteloos. Als de wolf van een levensbedreigende ziekte hem bij zijn nekvel heeft. Als de wolf van een onverwachte werkloosheid aan zijn been hangt. Als de wolf van een echtscheiding hem op de rug springt. Als de wolf van een verslaving aan zijn hersenen vreet. Als de wolf van een gestorven kind hem verscheurt.
Als de wolf verschijnt, neemt de ingehuurde herder de biezen. Een huurling heeft alleen de titel van herder. Hij werkt voor het geld, voor het aanzien. Hij heeft geen echte band met schapen. Net voor hij verdwijnt, zal hij misschien nog roepen dat het een beetje je eigen schuld is, en dat het waarschijnlijk ooit nog wel goed komt.
Als de wolf verschijnt, herkent men de goede herder. Die loopt niet weg, hij blijft bij je, hoe machteloos hij ook is. Hij zoekt geen antwoorden in theorieën en lege formules. Hij houdt van zijn schapen, hij zal ze nooit achterlaten.
De herder houdt trouwens van alle schapen, niet alleen van zijn schapen. Het is voor hem van geen tel uit welke schaapstal ze komen. Ook al zijn ze thuis in een andere stal, een ander land, een andere cultuur, een andere godsdienst, een andere liefde: het zijn schapen, waar ook hun thuis is.
Zo’n herder is mijn Vader, zegt Jezus, jullie Vader, jullie God. Vertrouw op Hem, niet op de huurlingen. (Joh 10, 11-18)
