God klopte op de deur en ging zonder wachten naar binnen. Hij zette zich neer in een stoel voor het bureau van Jaïrus.‘We moeten dringend eens praten,’ zei God. ‘Het gaat echt niet goed met je dochter.’
Jaïrus keek op van zijn schrijfwerk. ‘Weet je, jij spreekt net zoals haar moeder,’ zei hij verveeld. ‘Alsof de toestand van ons kindje mijn schuld is.’
God keek hem onderzoekend aan. Jaïrus was een belangrijk man in de gemeente, hij was een van de oversten van de synagoge. Mensen kwamen naar hem voor een antwoord op hun vragen.
‘Ik geef haar de best mogelijke opvoeding,’ verklaarde Jaïrus. ‘Die andere kinderen, die spelen maar en doen vrij wat in hen opkomt. Maar ik leer haar wat belangrijk is in het leven, dat weet je. Later zal iedereen naar haar opkijken. Ze zal een voorbeeld zijn.’ Hij legde zijn schrijfgerief neer.
God zweeg. ‘Ik begrijp het dus niet,’ zei Jaïrus. Zijn stem klonk plots erg onzeker.
‘Jezus is terug in de stad, heb ik gehoord,’ zei God. ‘Zou je hem geen raad kunnen vragen?’
‘Hem?’, reageerde Jaïrus. ‘Hij heeft geen goede reputatie, hoor ik van mijn collega’s. Anderzijds, ik wil het beste voor mijn dochtertje. Je hebt misschien gelijk.’ Hij stond recht, en haastte zich naar buiten.
Dat ging snel, dacht God. Hij wist dat Jaïrus zeer bekommerd was, maar ook dat zijn trots hem soms in de weg zat. Hij had dat al vaker gezien bij mensen met een belangrijke functie.
Hij ging terug naar de kamer van het meisje. Ze lag op het bed, roerloos, erg vermagerd. Ze zat werkelijk op een dood spoor. Ze had nooit kunnen leren om zelfstandig te worden, om eigen keuzes te maken. Ze was zeker geen kindje meer, zoals haar vader altijd maar zei. Ze was twaalf jaar, een leeftijd waarop jongeren hun eigen weg willen gaan. Maar ze kon dat niet, ze mocht dat niet.
Hij hoorde hoe mensen beneden begonnen waren met het zingen van klaagliederen, alsof het meisje al dood was. Toen Jaïrus toekwam met Jezus huilden ze nog luider. Ze lachten Jezus uit toen die zei dat het weeklagen niet nodig was, dat het meisje niet dood was. Hij stuurde hen buiten.
God was opgelucht toen de twee ouders de kamer binnenkwamen, met Jezus en drie leerlingen. Hij zag hoe Jezus de hand van het meisje vastnam, vol vertrouwen en aanmoediging. Hij herinnerde zich hoe Jaïrus haar hand meestal vasthield om haar bij zich te houden, vol wantrouwen.
Dit komt goed, dacht God, en hij verliet stilletjes de kamer.
Wat later zag hij haar in de keuken, haar moeder had allerlei eten klaargezet waaruit ze kon kiezen. Wat Jezus nog besprak met Jaïrus kon hij niet horen. Maar het kindje was er niet meer. Het was een jongedame.
Leven wordt pas mogelijk in vertrouwen, dacht hij, niet in gehoorzaamheid. (Mc 5, 21-43)