Geschiedenisboeken

In de lessen geschiedenis wordt doorgaans veel verteld over grote gebeurtenissen. De oorlogen krijgen traditioneel heel wat aandacht, met lof voor de winnaar en een korte voetnoot voor de verliezer. Gebieden worden veroverd en rijken worden uitgebreid, koningen komen op de troon, volkeren worden onderworpen.

Er was een tijd dat de godsdienstlessen ongeveer dezelfde inhoud hadden. Met één belangrijk verschil: God had een hoofdrol. Op cruciale momenten was Hij aanwezig om de loop van de geschiedenis in een nieuwe plooi te leggen. Soms was Hij afwezig, en dat moest dan evengoed gezien worden als een duidelijk signaal van zijn kant.

Zo heeft de mens doorheen de eeuwen geleerd om over God te spreken in superlatieven. De almacht van God is een bekend voorbeeld. God past dan perfect in het rijtje van keizers en veldheren, maar dan nog een klasse hoger. Bovendien is God oneindig goed, en dat is een kenmerk dat bij de anderen in dat rijtje weinig voorkomt. Hoe dan ook, over God moet met het nodige ontzag gesproken worden, en slechts weinigen zullen ooit in hun leven een glimp van hem kunnen opvangen. God en mens liggen ver uit elkaar.

Toen Jezus in de synagoge van zijn geboortedorp het woord nam, waren de toehoorders dus verbaasd. Hij sprak over God alsof die vlakbij was, alsof God zich bekommerde om elke mens, ook de kleine en zwakke. Als iemand over God sprak, dan kon dat niet in die woorden gebeuren. De taal van Jezus was fout, vonden ze. Grootheid, kracht, gerechtigheid, oneindigheid, macht … dat was de enige taal die voor God gebruikt mocht worden, vonden ze.

Nochtans waren ze geraakt geweest door zijn woorden. Jezus had ze weer laten voelen hoe ook in hun hart die hunker woonde naar een hemel, hij had ze weer doen dromen van eeuwige menselijkheid. Maar hij was tussen hen opgegroeid en moest toch weten dat de realiteit anders is. Bovendien was een nabije God helemaal niet nodig voor hen. Ze hadden hun zaakjes goed op orde. Er was geen reden te bedenken waarom ze gered of genezen zouden moeten worden. Wat zou God in hun dorp kunnen vinden? De Romeinen verjagen, ja, dat zou geweldig zijn.

Vandaag is het in onze streken een beetje zoals toen in Nazareth. God is voor velen onnodig geworden, op dezelfde manier oubollig en zonder nut als de koningen. Misschien bruikbaar materiaal voor de geschiedenisboeken, om een naam te geven aan een periode. Maar Jezus zei dat God zichtbaar wordt in gewone mensen die elkaar helpen en oprichten, in mensen die ijveren voor vrede en verzoening, in mensen die mekaar niet laten vallen, ook in het eigen dorp en in de eigen straat. God wil niet in de geschiedenisboeken, want gewone mensen krijgen er ook geen plaats. (Mc 6, 1-6)