Bezittingen verkopen

Het bezit van een zekere rijkdom wordt nog steeds gezien als een maatstaf van succes. En als daarmee ook nog milde giften gegeven worden voor goede werken, dan is het helemaal prima. Je bent niemand tot last, hebt alles netjes op een rij, je toont verantwoordelijkheid, de gemeenschap kan op je rekenen.

In de tijd van Jezus vroeg zo’n welstellende man aan Jezus: Wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven? Jezus stelde voor aan de man om al zijn bezittingen te verkopen en het geld van de opbrengst aan de armen te geven. De man werd somber en ging terneergeslagen weg, hij had namelijk veel bezittingen.

Jezus zei daarop tegen zijn leerlingen dat het erg moeilijk is voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan. Hij zei dat het voor een kameel nog gemakkelijker is om door het oog van de naald te gaan.

Zijn leerlingen waren geschrokken, en wij schuiven ook ongemakkelijk over onze stoel als we die woorden horen. Waarom heeft Jezus zo’n probleem met rijkdom en bezittingen? Er zijn toch welvarende mensen die goede werken doen, zorgen voor tewerkstelling, correct alle belastingen en sociale bijdragen betalen? Is het koninkrijk van God voor hen bijna onbereikbaar?

Het is moeilijk te rechtvaardigen dat er grote rijkdom bestaat als er ook grote armoede bestaat. In die zin zou men kunnen begrijpen dat Jezus vroeg om de opbrengst aan de armen te geven. Armoede verminderen of uitroeien is in elke samenleving een belangrijke opdracht. Maar Jezus sprak niet over de goede werking van de samenleving, maar over het rijk van God.

Waarschijnlijk beseft iedereen wel dat het niet ons levensdoel is om bezittingen en rijkdom te vergaren. Het leven is meer dan geld verdienen. Het is kinderen opvoeden, zieken genezen, huizen bouwen, machines herstellen, tuinen aanleggen. We werken omdat het ons leven zin en betekenis geeft. Rijkdom en bezittingen komen gaandeweg, en … we willen die niet meer verliezen. Ze geven een gevoel van zekerheid, veiligheid en onafhankelijkheid. Het is dan moeilijk om te weerstaan aan de drang om die bezittingen in stand te houden, te verdedigen, uit te breiden. Vaak wordt het een constante zorg, die al het doen en laten gaat bepalen.

De vrees om de rijkdom te verliezen, de zorgen om de bezittingen te vrijwaren, ze verdwijnen niet door nog grotere rijkdom. Integendeel. De hoop op meer zekerheid en veiligheid slaat uiteindelijk om in een realiteit van toenemende onzekerheid en angst. Dat staat ver af van een zinvol en gelukkig leven dat God voor ons wil.

De rijke man vroeg aan Jezus hoe hij het eeuwig leven kon verwerven. Hij had reeds alles, behalve het eeuwig leven. Dat zou voor hem de redding zijn. Dat hij ooit zijn leven zou verliezen, zoals iedereen, was ondraaglijk voor hem. Want hij mocht niets verliezen. De oplossing die Jezus aanbood, kon hij dus nooit aanvaarden. (Mc 10, 17-30)