Geen beloning

Op school leerden we lezen en schrijven, onontbeerlijk voor onze ontwikkeling. We gebruiken die kennis alle dagen. We leerden er nog heel wat anders, zoals rekenen en aardrijkskunde, de lijst is lang. Als we flink studeerden, werden we beloond met goede punten. Een eindrapport met veel goede punten werd beloond met het recht om naar een hogere klas te gaan. Later kregen we nog regelmatig te maken met een examen of een test, voor een promotie of een diploma. Want wie hard werkt, wordt beloond. Wie dat niet doet, wordt afgewezen. Hard werken is een plicht, de beloning zal volgen.

Onze maatschappij is doordrongen van deze gewoonte om opoffering en grote inzet te belonen. De beloning bestaat in allerlei vormen: een hogere functie, een titel, status, geld. Zeker in ondernemingen wordt gewenst gedrag gestuurd met hogere lonen, premies en andere incentives. De psychologie weet echter al lang dat beloningen niet echt nuttig zijn om mensen te motiveren. Zinvol werk, autonomie, ontplooiingskansen en een goede verstandhouding zijn veel belangrijker.

De godsdienst is ook lang een domein geweest van belonen en bestraffen. De hemel bereiken was de ultieme beloning, anders wachtte de hel. De hemel moest je verdienen. Opoffering, lijden, afzien, je lot geduldig en in gehoorzaamheid ondergaan, dat was de voorgeschreven weg. Na je dood zou de beloning volgen.

Nochtans is er bij de liefde geen behoefte aan belonen of bestraffen. De liefde is altijd dankbaar, zij stelt geen voorwaarden aan de ander zoals hard labeur of opoffering. Jezus schonk zijn liefde aan iedereen, vooral aan wie weinig liefde kreeg en niet paste in de groep van hardwerkende burgers. Als twee leerlingen vroegen aan Jezus om later, als hij in glorie zou heersen, aan zijn rechter- en linkerhand te mogen zitten, dan wees hij dat af. De twee waren nochtans bereid tot grote opofferingen om Jezus te beschermen, zo horen we in het evangelie van zondag.

Ouders zien hun kinderen graag, ook al doen die soms stommiteiten. Zo leefde Jezus in liefde voor alle mensen, ook voor wie afgewezen werd, en zelfs ook voor wie hem uiteindelijk volledig zouden afwijzen. Dat was geen opoffering die tot een beloning zou leiden. Hij kon niet anders, het was immers zijn overtuiging. Toen was dat voor de leiders van de godsdienst onaanvaardbaar. Ook vandaag gebeurt het nog steeds dat onderscheid gemaakt wordt tussen goede en slechte mensen, tussen mensen die de hemel verdienen dan wel in de hel thuishoren, zelfs in kerkelijke kringen.

God houdt van alle mensen, hij wil dat ze allemaal gelukkig zijn, voor iedereen wil hij een hemel. Zijn barmhartigheid is grenzeloos, ook voor wie in de ogen van de mensen reddeloos verloren is en geen enkele beloning waard is. (Mc 10, 35-45)