Soms zijn onze dagelijkse zorgen groot. Omdat de rekeningen zich opstapelen en het banksaldo al dicht bij nul staat. Omdat de puzzel van opvang en school en werk niet goed gelegd geraakt. Omdat het kind langer ziek blijft dan verwacht. Moedeloosheid en wanhoop kloppen dan aan onze deur. Maar we proberen die buiten te houden met de gedachte dat het snel beter wordt. Hoop doet leven. We laten onze armen niet hangen.
Anderzijds, wie de ogen richt op de grote wereld, die heeft vandaag redenen genoeg om wanhopig te worden. De veranderingen in het klimaat blijken zeer ernstige gevolgen te hebben, terwijl de leiders van de wereld aarzelen om maatregelen te nemen. Tussen Wit-Rusland en Polen zitten duizenden migranten in de val, weggeduwd door een dictator aan de ene kant, en aan de andere kant tegengehouden door een bang en verkrampt Europa. Er is in de ganse economie een schrijnend tekort aan personeel, maar vele werknemers zijn uitgeput of ziek omdat ze niet gezien of gerespecteerd worden.
Zal het ooit beter worden? Het is een vraag die vroeger ook gesteld werd. Onze afkeur over de toestand van de wereld is niet nieuw. Jezus en zijn tijdgenoten stelden zich die vraag ook: wanneer wordt het beter? Wanneer zullen angst, dreiging en macht niet meer de wereld beheersen? Wanneer zullen vertrouwen en menselijkheid, zo evident in ons gezin, ook bepalend worden in de grote wereld? Wanneer zullen we geen harnas meer moeten aantrekken telkens we de wereld in gaan?
Jezus kon er geen tijdstip op kleven. Maar dat was voor hem geen reden om de hoop op te geven, integendeel. Hij was ervan overtuigd dat een nieuwe wereld ophanden was. Het zou een goddelijke wereld zijn, een wereld waarin mensen opnieuw zorgzaam met elkaar omgaan: welwillend, helend, troostend en bemoedigend. Hij wees naar de tekens die iedereen kon zien, zoals een schijnbaar dode, bladerloze boom in de lente gaat botten en bloeien.
Die nieuwe wereld was voor Jezus vlakbij. Blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. Zo vatte hij het samen voor Johannes de Doper.
Sommigen zien de tekens niet. Hun hart is afgestompt door de zorgen van het dagelijks leven, of door de roes en de dronkenschap, zo horen we het zondag in het evangelie. Maar wie het harnas afgooit, die ziet het nieuwe. Die ziet steeds meer hoe mensen volhouden met het goede te doen, hoe mensen niet moedeloos worden maar werken aan groeiende rechtvaardigheid en menselijkheid. Die ziet tekenen aan de zon en de maan en de sterren, en zegt: verlossing is nabij! (Lc 21, 25-28.34-36)