Uitmuntende wijn

Het was een vermoeiend gesprek geweest met de bisschop. God had met hem afgesproken om nog eens van gedachten te wisselen over de toekomst, maar het was teleurstellend verlopen. Ze hadden vooral over het verleden gepraat. De koffie had nogal bitter gesmaakt, en het koekje was uitgedroogd. God had het lastig om zijn frustratie niet te tonen. Op de terugweg naar de bushalte had hij meerdere keren binnensmonds gevloekt. Nu was hij gelukkig weer kalm. Het hielp ook dat de bus niet lang op zich liet wachten.

Hij vond een plaats rechtover een schooljongen die worstelde met een huistaak. God meende een Latijns woordenboek te herkennen, en zuchtte eens. Hij was opgelucht dat de tijd voorbij was dat mensen Latijn moesten kennen om met hem te kunnen of te mogen spreken.

Een dame zette zich voorzichtig neer naast hem op de bank. Ze mompelde iets dat een verontschuldiging kon zijn. God zag dat ze sympathieke ogen had, maar vermoedde dat ze geweend had. Zonder veel details vertelde hij haar iets over zijn frustrerende namiddag, en zo geraakten ze aan de praat. Ze had een job op een reclamebureau waar hard gewerkt moest worden om de opdrachten tijdig klaar te krijgen. Te hard, zei ze. ‘Ik doe mijn uiterste best, en ik krijg waardering voor mijn werk. Maar daardoor voel ik grote druk om steeds meer te doen. Ik kan het zo niet volhouden. ’s Avonds ben ik te moe en ik moet dikwijls wenen. Kruiken vol.

Ze zweeg. God vond haar wel moedig, om zo over haar zorgen te spreken. Hij wilde even ruimte geven aan de stilte. Een onmiddellijk antwoord doet dikwijls afbreuk aan de kracht van het luisteren. Mijn tijd is nog niet gekomen, herinnerde hij zich woorden van Jezus op een bruiloft. Hij keerde zich naar het raam en zag dat het regende. ‘De hemel is nu blijkbaar ook aan het wenen,’ zei hij. Hij besefte te laat dat die woorden klonken als flauwe troost.

De vrouw glimlachte even. Ze keek afwezig naar het schoolwerk van de jongen rechtover. God herpakte zich. ‘We hebben dikwijls de neiging om onszelf op de achtergrond te plaatsen,’ zei hij. ‘Dat maakt ons soms nodeloos ongelukkig. We hebben het recht om ons leven zelf in handen te nemen. Het is niet goed dat anderen het gaan bepalen. We moeten durven om het onderwerp te zijn in ons leven, niet alleen het werkwoord.’

Ze keek naar hem, haar glimlach was breder geworden. ‘Ik moet zo dadelijk afstappen,’ zei ze. Ze wendde zich naar de jongen, en wees naar zijn werkschrift. ‘Moet je die Latijnse zin vertalen?’ vroeg ze. ‘Ja,’ zei de jongen, ‘maar het lukt me niet.’ ‘Ik zie het,’ zei ze. ‘Lees de zin nog eens goed. Ik denk dat je je vergist hebt van onderwerp …’

Ze keek God ondeugend aan en haastte zich naar de uitgang. ‘Ja, dat is het!’ juichte de jongen. God was sprakeloos. De smaak van bittere koffie was weg. Hij proefde uitmuntende wijn. (Joh 2, 1-12)