Misschien hebben vrouwen iets meer aanleg dan mannen om leven te bespeuren. Zij alleen kennen de unieke ervaring van een beginnend leven in hun schoot. Misschien is leven voor hen meer dan een kwestie van ja of neen, wit of zwart, zijn of niet zijn. Misschien kunnen zij al leven ontwaren waar anderen zich nog van niets bewust zijn. Op een bepaalde manier weten ze blijkbaar dat het leven er al is, nog voor het echt begint.
Misschien zien ze ook beter dat er nog leven is in uitzichtloze situaties, waar anderen het opgegeven hebben. Misschien is voor hen het einde, zoals het begin, niet altijd een klare lijn.
De vrouwen uit het evangelie van Pasen gingen op zondagmorgen naar het graf om het lichaam van Jezus te balsemen. Het was met de overtuiging dat dit niet zinloos was, dat een leven nooit volledig gedaan is. Zorgen en verzorgen, dat is geloven dat leven hoe dan ook mogelijk blijft, nieuw, beter of anders.
Tot de vrijdag daarvoor was Jezus een zaak van mannen geweest. Het ging over ondervragen, beschuldigen, belachelijk maken en vernederen, slaan, geselen, nagels inkloppen, doorboren, er een punt achter zetten. Het ging over uitschakelen, probleem oplossen, uit de weg ruimen. Het ging over machtsontplooiing, tonen waar het op staat, terechtwijzen, straffen. Het ging tenslotte over alles definitief afsluiten met een grote zware steen. Allemaal zaken waar mannen misschien iets meer aanleg voor hebben.
Mannen hebben ook de evangelies geschreven over Jezus, en de apostelen waren mannen. Er zijn dus vele bladzijden te lezen met pijnlijk nauwkeurige details over de vreselijke laatste vierentwintig uren van Jezus. Maar wat er op Pasen zelf gebeurd was, dat had dus geen man gezien. Omdat nieuw leven steeds onooglijk begint, onduidelijk, en alleszins zonder paukenslag en hoorngeschal. Wel met veel ‘misschien’ en twijfel, ongeloof en onzekerheid.
Maria van Magdala was een van de vrouwen die Jezus gevolgd waren, en zij was op die zondagmorgen meegegaan naar het graf. Zij wist zeer goed wat het betekende dood te zijn. Elders in het evangelie staat dat ze bezeten was geweest door zeven demonen. Zeven, dat is zoveel als elke dag van de week. Ze was waarschijnlijk zo in de ban geweest van alle mogelijke verlangens om tot het uiterste te leven, dat het dodelijke verslavingen geworden waren. Haar ontmoeting met Jezus had haar toen gered. Ze was weer tot echt leven gekomen. Zij had een persoonlijke ervaring gehad van wederopstanding en verrijzenis.
Zij wist dat nieuw leven altijd mogelijk is. Ze voelde het die morgen met al haar zintuigen, zoals het ochtendgloren een nieuwe dag aankondigt en de zorgen van de nacht doet verdampen. Het ‘misschien’ was voor haar een zekerheid geworden, maar dat aanvoelen werd door de apostelen niet geloofd. De mannen bestempelden het als kletspraat. Dood is dood, het was tijd om er een punt achter te zetten. Maar de vrouwen wilden doorzetten. Waar de mannen een punt hadden gezet, daar zouden zij een komma plaatsen. Ze wisten dat het verhaal nog niet gedaan was. (Lc 24, 1-12)