Mariaviering

Elke zondag tussen elf en twaalf komen enkele tientallen gelovigen naar de kerk voor de wekelijkse viering. Maar daarbuiten trekt doorheen de week vooral het beeld van Maria van zeven smarten, rechts vooraan in de kerk, regelmatig bezoekers. Er staan enkele stoelen en een kaars kan aangestoken worden. Er ligt zelfs een soort gastenboek, waarin soms aandoenlijke verzoeken aan Maria geschreven worden. Wie in de put zit, bezorgd is om een ziekte of verheugd is om een genezing, die gaat naar Maria. Zij is de onmisbare moeder voor wie begrip, steun en troost nodig heeft, in een godsdienst die door mannen beheerst wordt.

In vele huizen had – en heeft – het Mariabeeld een belangrijke plaats, en wie door Vlaanderen rijdt ziet overal de Mariakapellen, gemaakt op gewone mensenmaat. In het katholieke Europa heeft Maria een opvallende plaats en zijn er vele bedevaartplaatsen waar nog steeds duizenden gelovigen vreugde en kracht vinden.

Zou God bij dit alles niet een beetje jaloers worden? Is het niet de bedoeling dat we ons rechtstreeks tot Hem richten in vreugde en verdriet? Zo sprak Jezus toch over God, als een goede Vader die niemand verstoot en iedereen graag ziet? God als een Vader die ook heel begripvol en vergevingsgezind is, zoals Jezus vertelde in het verhaal van de verloren zoon (Lc 15)? Maria heeft uiteraard een rol gespeeld in het leven van Jezus, maar hoe is te begrijpen dat ze doorheen de eeuwen zo’n centrale plaats heeft gekregen in de katholieke godsdienst?

De belangrijkste reden is ongetwijfeld dat God in de geschiedenis steeds meer is weggegleden van de gelovigen, ondanks de inspanningen van Jezus. Jezus hield ons voor dat wij een nauw contact kunnen hebben met God. Maar die boodschap is nooit echt ruim doorgedrongen. Voor vele specialisten was God te belangrijk om zomaar aan iedereen toegang te geven. Enkel mannelijke priesters, plaatsvervangers van Jezus, konden toegang krijgen tot God. En toen enkele eeuwen later Jezus ook werd ‘bevorderd’ tot een God die zal oordelen over levenden en doden, toen werd het helemaal ingewikkeld. Wie is de God tot wie gelovigen zich kunnen richten? Enkel de theologen begrijpen het nog.

Als moeder van Jezus is Maria niet enkel een heilige, maar ook de moeder van God geworden. Daarmee was ze ideaal geplaatst om voor de gelovigen bij God om voorspraak te vragen. Maria was bovendien heel herkenbaar en benaderbaar, iedereen had rechtstreeks toegang tot haar. Ze was een liefdevolle moeder, met veel ervaring in vreugde en verdriet. En hoewel God de regels bepaalt en de beslissingen neemt, zij zou als moeder veel ten goede kunnen regelen. Heel herkenbaar voor mensen in patriarchale tijden.

Maar als gelovigen zich richten tot Maria, dan blijft de afstand tot God even groot. Voor God is echter geen voorspraak nodig, Hij mag zelf rechtstreeks aangesproken worden. ‘Wees niet bang van Hem’, zou Maria zeggen. ‘Durf Hem te vertrouwen, zoals ik ook deed.’ (Lc 1, 39-56)