Beschuldigen of vertrouwen

Er was eens een man die succesvol was en in het dorp waar hij woonde veel aanzien had. Maar hij was ongelukkig. Op een zondagmiddag zat hij met de jongste zoon van zijn jongste zoon op het terras van zijn huis. Ze keken uit op het perfect gemaaide gazon en nipten van een glas gekoelde Moezelwijn.

‘Opa, wat is er aan de hand? Ik zie dat je ongelukkig bent …’ De kleinzoon was een van de weinigen die hem alles mocht vragen.

‘Jongen, je moest eens weten hoeveel meer ik zou kunnen bereiken als ik niet omringd was door zoveel domme en onbekwame mensen. Ik zou veel meer kunnen betekenen voor onze familie, onze zaak en onze dorpsgemeenschap.’ Zijn blik gleed naar de twee dikke Duitse wagens op de oprit. ‘Mijn personeel doet nooit wat ik vraag en ziet op tegen elke inspanning. De gebraden kippen vallen niet uit de lucht, er moet voor gewerkt worden. Mijn kinderen denken alles beter te weten, en het is ontstellend hoe vaak zelfs jouw oma haar eigen zin doet. Ik heb het gevoel dat alles uit mijn handen glipt. Ze beseffen niet hoeveel ze allemaal bij mij in het krijt staan.’

‘Dat kan tellen als beschuldiging’, zei de kleinzoon. ‘Hoe ga je dit aanpakken?’ Zijn grootvader zweeg.

Maanden later zaten de twee weer op het terras, elk met een fleecedekentje over de schouders. ‘Ik heb er meerdere keren met oma over gesproken’, zei hij. ‘Ze is een wijze vrouw.’ Hij blies de rook van zijn sigaartje de lucht in, een slechte gewoonte die hij met plezier weer had opgenomen. ‘Niemand is perfect, dat wist ik ook wel. Maar zij heeft zinnige dingen gezegd over wat dat in de praktijk betekent.’ De kleinzoon keek hem aan, oprecht geïnteresseerd.

‘We staan allemaal bij elkaar in het krijt. Ik dus ook. Ik moet uiteraard toegeven dat ik er nog steeds moeite mee heb om dat echt te leren aanvaarden. Elkaar verwijten en beschuldigingen sturen brengt de zaken geen stap verder, dat begrijp ik. De meeste mensen zijn helemaal niet dom en onbekwaam. Maar hoe het nu verder moet, dat zie ik nog niet.’ ‘Misschien door vertrouwen te geven?’, opperde de kleinzoon.

Tijdens de kerstdagen vroeg de kleinzoon naar de stand van zaken. ‘Het is eenvoudig, maar erg moeilijk’, zei de man. ‘Toch werkt het. Dat geeft me moed om het te blijven durven.’ Hij aarzelde even. ‘Ik begon met oma, ik verontschuldigde me bij haar. Ik vroeg haar om eerlijk te zeggen waarvan ik haar beschuldigd had. Dat was een lijst, het was beschamend en leerrijk voor mij. Telkens antwoordde ik haar dat ik fout was. Op enkele punten gaf ze me toch gelijk, grappig. Ik doe nu hetzelfde met mijn medewerkers, en mijn kinderen. We ervaren het telkens als een bevrijding.’

‘Dat wil ik graag geloven’, zei de kleinzoon, en hij prees zijn grootvader. (Lc 16, 1-13)