Halfweg de maand juli had ik een verkoudheid die snel evolueerde naar een gevoel van griep. Met een zelftest was het onmiddellijk duidelijk: ik had covid19. Gedurende meer dan twee jaar was het me gelukt om eraan te ontsnappen, maar nu had het virus mij dus ook te pakken. Een week later was ik genezen, oef.
We zijn het erover eens dat iedereen corona kan oplopen. Het is een ziekte met de reputatie dat niemand er immuun voor is. Zoals een griep, of kanker. Tegelijk zijn er echter ook vele aandoeningen die wel te vermijden zijn door een gezonde levensstijl of voldoende sport. Mensen die veel roken, weinig lichaamsbeweging hebben en graag drinken, kunnen bijgevolg niet rekenen op veel sympathie als ze ziek worden. Wie psychische problemen heeft, ondergaat dikwijls hetzelfde lot. Een depressie en een burn-out worden heel vaak gezien als een eigen falen, een gebrek aan weerbaarheid of kracht.
Het is een kwalijke evolutie in ons denken. Meer en meer zijn we als samenleving doordrongen van de gedachte dat ziekte en problemen doorgaans aan jezelf te wijten zijn. Je eigen schuld dus. Met als gevolg dat hulp en ondersteuning in vraag gesteld worden. Het is geen toeval dat er vandaag opvallend weinig middelen en personeel zijn voor vele zorgtaken.
De gedachte dat ieder verantwoordelijk is voor de eigen problemen is van alle tijden. In Jezus’ tijd werden vele ziektes beschouwd als een teken dat God je niet gunstig gezind was. Ook je eigen fout dus. Want God is rechtvaardig, zo zei men, al kunnen zijn wegen soms ondoorgrondelijk zijn. Dat gold ook voor de tien melaatsen, waarvan we zondag in het evangelie horen.
Jezus dacht helemaal anders over ziektes en problemen. Hij wist dat iedereen daardoor getroffen kan worden. Hij wilde nooit de oorzaak bij God leggen of bij een eigen fout. Bij ziekte en problemen was er maar één goed antwoord: solidariteit, ondersteuning en hulp. Jezus deed wat God wilde: mensen in nood nabij zijn.
Want morgen kunnen we zelf getroffen worden. Iedereen wordt vroeg of laat op de proef gesteld. Dat is het lot, dat zijn de spelingen van de natuur. De priester in het evangelie van zondag bleef echter in het klassieke denkschema. Als vertegenwoordiger van God moest hij vaststellen of de ziekte verdwenen was, of de zieke – voorzeker door voorbeeldig gedrag – weer in de gunst van God gekomen was.
In dit klassieke denkschema is dankbaarheid niet nodig. Je genezing heb je immers aan je eigen goed gedrag te danken, want je ziekte was volgens iedereen het resultaat van je eigen fout. De goede afloop is volledig je eigen verdienste. Dat was ook de overtuiging van negen van de tien melaatsen.
Alleen iemand die anders denkt, zal dankbaar willen zijn. Alleen iemand die niet denkt in termen van goed en fout, schuld en verdienste, zal teruggaan naar Jezus om hem te bedanken. Zo iemand moet wel een vreemdeling zijn, iemand uit een ander land, iemand met een ander geloof. (Lc. 17, 11-19)