Alweer een roepingenverhaal de achtentwintigste zondag, maar eentje dat met een sisser afloopt. ‘Wat moet ik doen om de eeuwigheid te halen?’, vraagt de gearriveerde, wetgetrouwe en toch onvoldane man. ‘Dit ontbreekt je nog’, zegt de Heer, ‘verkoop wat je bezit, geef het de armen en kom dan terug om Mij te volgen.’ Daar is de vraagsteller overvraagd. Hij is (nog) geen Damiaan. Verdrietig druipt hij af …
En daar staan we dan, ontdaan als de leerlingen. ‘Wie kan dan nog gered worden?’ Is algehele onthechting absolute voorwaarde? Zijn eigendom en bankrekening uit den boze? Zonder Jezus weten we ook wel, dat hooghartigheid en hebberigheid geraffineerde en besmettelijke duivels zijn, en dat geld alle deuren van de wereld opent. Alleen, in Gods Rijk ‘pakt’ dat niet. Hij is niet om te kopen of om de tuin te leiden. Hij doorziet ons streven. Zijn Woord snijdt door ons geweten en verdraagt geen mensengepeuter. De ‘goede Meester’, die het hanteert, verkort het niet, maar vierendeelt ook niet ongenadig. Hij kijkt de man van zondag liefdevol aan. Hij respecteert ieders vrijheid en inzichten. Hij toetst de zuiverheid van onze intenties. Hij leert en vermaant. Hij wil dat we onszelf geen rad voor de ogen draaien, en wijze keuzes maken. Het aardse goed is voor iedereen bedoeld. En op elk bezit rust een sociale hypotheek. Durven we zeggen dat we genoeg hebben, dat het met minder ook kan? Nemen we Jezus’ antwoord in koop? En wat geven we prijs? Dat zijn de vragen van zondag. En de lering? ‘Volg Me en Ik leer je wat en hoe je los moet laten.’ En of de kameel dan nog door het oog van de naald kan? ‘Dat ligt niet in de macht der mensen. Voor God is alles mogelijk.’
Toch, met het voorgaande, een forse bemoediging! En knap ook weer, hoe de lezingen uit Wijsheid en de Hebreeënbrief de evangeliekern onderbouwen.