Geroepen om te dienen

Koning Cyrus laat de Babelse ballingen terugkeren. Maar, willen die dat wel? Velen bouwden daar een nieuw bestaan, hun Godsbetrouwen was diep gezakt en Jeruzalem een verre droom. In die context plaatst Jesaja zijn ‘knecht van Jahwe’, die oproept tot omkeer en herstel van het verbond, die zijn leven veil heeft voor Gods plan, die schuldloos lijdt om schuldigen te redden, die verguisd en hoog verheven wordt. Markus heeft geen moeite om zijn Heer met hem te identificeren. Bij herhaling houdt Jezus de leerlingen zijn nakend lijden en sterven voor, maar die hebben daar geen oren naar. De negenentwintigste zondag bestaan Jakobus en Johannes het zowaar, over die akeligheid heen te springen, meteen al in de ook voorzegde glorie te landen en daar de dichtste ereplaatsen op te eisen. Jezus poogt hen weer op de begane grond te krijgen, maar niet geplaagd door enige deemoed drammen ze door. De overigen reageren ontzet. Is het plaatsvervangende schaamte? Of toch jaloersheid? Het voorval loopt uit op de les van de minste mens. ‘De grootste moet dienaar zijn, de eerste de slaaf van allen.’ De Heer in de rol van Jesaja’s knecht. En daarmee is de lezingenring van zondag, met nog een ommetje langs de Hebreeënbrief, wel rond, maar niet gesloten.

Laagste en laatste willen zijn, in een tijd van aanspraken en ambitie, eigenwaan, betweterij en ellebogeneelt … Met de Zebedeuszonen hebben we nog flink wat voor de boeg. Want dienen is lijden, onder onbegrip en ondank, tegenwerk en hoongelach.