Onzaligheid vult de lage vlakte, onvrede, schrijnend onrecht en hemeltergende verdrukking, gevestigde macht en verworven recht, hebberigheid en ellebogenwerk, norse na-ijver en ongenadig overtroeven, verschansing en verzuring, gebroken woorden, afwijzing en afvalligheid, bittere vete, schampere spot … Is dan vreesachtig en krampachtig indekken het enige verweer, zich wentelen in wellust de ultieme kunst, meegraaien wat te krijgen is de ware wijsheid?
De Man Gods stapt uit de lage vlakte en bestijgt de berg. Hij noemt de dwazen wijs. Hij prijst de wereldvreemden zalig. Hij bevestigt de weerbarstigen die niet plooien voor geweld en verderf. Hij bemoedigt wie de wijsheid niet in pacht heeft, wie treurt om de wereld, wie hongert naar gerechtigheid, wie warmhartig lijden lenigt, wie zijn streven uitpuurt en niet marchandeert, wie vrede sticht, wie zozeer de kant van de verworpenen kiest, dat hij zelf in de verdrukking komt. De Meester leert magistraal. Zijn lering is geen loze theorie. Zijn zaligsprekingen zijn zijn zelfportret, de enige uitweg uit onze onzaligheid.
Allerheiligen is de reünie van Gods bondgenoten, de mensen naar zijn hart, die ‘hun gewaden witwassen in het bloed van het Lam’, die hun bestaan dompelen in Jezus’ wezen, uitblinken in het gewone en hun zachte krachten inzetten, die de sprong wagen … en landen in Gods hand. Zij hebben het bij het rechte eind! Hun heiligheid, lezer, is niet onbereikbaar en kan ook zonder kerkelijke verklaring. Wie meetrekt met de Meester en volhardt in zijn spoor, breekt wat liefde doodt en verzekert zich van zijn zaligheid. Als dat geen Blijde Boodschap is!
