Pilatus vraagt het de laatste jaarzondag. Maar van Jezus’ koningschap heeft hij geen benul.
Vreemd toch, een koning die niet heerst, maar dient, die zich niet beroept op macht, maar op waarheid, die anderen uit de dood haalt, maar zichzelf aan het kruis praat … De Romein vergoddelijkt het werelds leiderschap, de Heer legt het goddelijke van het geringe bloot. De Johannesdialoog blijft een kwalijk dovemansgesprek. De schipperaar schuift het hete hangijzer door, wast zijn handen en zet zich buiten schot. En zijn INRI op het kruishout? Schuldbesef, schotschrift of toch erenaam? U zoekt het zelf maar uit. Martha en Maria, de honderdman, de goede moordenaar … zovelen begrepen en begrijpen Jezus’ koningschap wel. Koninklijk is de mens in de dienst aan de Eeuwige en de naaste. Daarin onovertroffen en volmaakt, trouw en dienstbaar tot het uiterste is Koning Christus. Zijn woorden en daden zijn klare spiegel van zijn Vader. Zijn zending was en is het, het goddelijke in de mens te wekken en weer werkbaar te maken. Zijn koningschap is ook onze opdracht. Zijn Rijk groeit, als wij zijn waarheid zien, als wij vastberaden in de wereld, maar niet van de wereld zijn weg gaan. Zijn Rijk vestigt zich, waar Hij Gods inwoning is, waar Hij ‘alles in allen’ mag zijn.
De zending van Christus Koning. Makkelijk geschreven. Minder makkelijk gedaan …