Zondag verhaalt Lucas hoe op een sabbat Jezus sprak in de synagoge van Nazareth, het dorp waar hij was opgegroeid. Jezus vertelde dat Hij het visioen van de profeet Jesaja tot werkelijkheid wilde maken: blinden het licht geven, onderdrukten vrij maken, Gods goedheid verkondigen.
Jezus woonde in Kafarnaüm, een veertigtal kilometer van Nazareth, aan het meer van Galilea. Hij was ondertussen een bekend persoon geworden, een genezer. In de synagogen in de omtrek waar Hij onderwees was iedereen vol lof over hem. Zou Hij ook in Nazareth zijn wonderen kunnen verrichten? De aanwezigen in de synagoge waren van oordeel dat ook de inwoners van Nazareth recht hadden op genezing. Niet?
Blijkbaar was het niet zo eenvoudig. Jezus is immers geen tovenaar, Hij heeft geen trukendoos, Hij is niet in het bezit van geheime toverformules.
Genezen kunnen worden door Jezus, dat vereist vooral een diep vertrouwen. Misschien was er bij velen in Nazareth eerder ongeloof aanwezig, wantrouwen over het succesverhaal van Jezus. Hij was toch maar de zoon van Jozef de timmerman? Met een grote dosis scepsis allicht keken ze naar zijn parcours. Ze waren niet onder de indruk van zijn woorden. Begrijpelijk, ook Jezus gaf toe dat geen enkele profeet waardering vindt in zijn eigen stad. Het gevolg laat zich raden: Jezus mocht stante pede opkrassen uit Nazareth.
Het is niet vanzelfsprekend om je te laten genezen door Jezus, ook al is het eenvoudig. Langdurig wantrouwen tussen mensen maakt ongezond. Mensen die anderen machteloos maken, minachten en uitsluiten zijn ziekmakend. Het omgekeerde daarentegen is levengevend, helend. Jezus deed het voortdurend, mensen genezen door ze vertrouwen te geven en nieuwe kansen, door ze weg te halen uit uitsluiting en misprijzen.
In onze dagen zijn er medicijnen voor vele ziektes, godzijdank. Maar het beste medicijn is de zorg en aandacht die we voor elkaar opbrengen. Daar hebben we geen recht op, dat geven we.