We kennen onze beperkingen, we weten dat we niet alles kunnen. Dat besef komt vrij snel tijdens ons opgroeien. Toch zullen we regelmatig proberen om boven onze beperkingen uit te stijgen, onze armen uit te strekken naar het onbekende. Daarom zullen we blijven leren, oefenen, ontdekken. Thuis en op school worden we als kind daartoe uitgedaagd: plus est en vous, je kan meer dan je denkt. Met al die kennis en vaardigheden kunnen we de wereld beter aan. Een beetje wedijver zit er zeker ook bij: we vinden het fijn om te kunnen uitblinken.
Tegelijk wordt ons ook snel duidelijk gemaakt dat we niet naast onze schoenen moeten lopen, dat we geen dikke nek moeten krijgen. Het is niet de bedoeling dat we als een stoefer of een blaaskaak door het leven gaan. We zijn allemaal gewoon mensen. Maar het is niet altijd gemakkelijk. We hebben het lastig als we niet naar waarde worden geschat. We vinden het niet tof om als laatste in de rij te staan. We vinden het aangenaam als we uitgenodigd worden voor een feest of een evenement en er een ereplaats krijgen.
We blijven dus voorzichtig. In het evangelie van zondag staat (weeral) dat wie zich verheft vernederd zal worden, en wie zich vernedert zal verheven worden. We hebben het zeker ook al eens meegemaakt. Jezus wist het goed. Hij begreep dat we graag een mooie plaats krijgen op het feest. Maar die speciale plaats mag niet onze hoofdbekommernis zijn. Evenmin mogen we het vanzelfsprekend vinden dat we op het feest uitgenodigd worden.
Er zijn mensen die nooit uitgenodigd worden op een feest, en die zich niet moeten afvragen of ze er wel een mooie plaats krijgen. Jezus noemde ze bij naam: armen, kreupelen, verlamden en blinden. Ze worden nooit uitgenodigd want ze hebben niets waarmee ze de gastheer kunnen vergoeden. Jezus hoopt dat wij hen wel uitnodigen. Hij hoopt dat we in onze menselijkheid ook hen een plaats kunnen geven. Hij hoopt dat we het nooit normaal zullen vinden dat ze uitgesloten worden.
