Ook al weten we dat er niets is dat voor altijd is, toch koesteren we in ons diepe binnenste het ideaal dat mooie en goede dingen eeuwig mogen duren. Liefde en verbondenheid bijvoorbeeld – ondanks al ons realisme willen we dat ze nooit eindigen. Ons leven is uiteraard eindig, en toch dromen we op sommige momenten van onsterfelijkheid. Dat na onze dood enkel een zwart gat wacht, het is een gedachte die slechts voor weinig mensen aantrekkelijk is. Allen hopen we, elk op haar of zijn manier, dat er meer is, dat het niet voorgoed gedaan is als we sterven.
Ons sterven is een moment van waarheid, alles laten we achter, we gaan met lege handen. Onze kwetsbaarheid bereikt een hoogtepunt, enkel onze menselijkheid blijft, ons mens zijn. Roem en welstand zijn dan zonder betekenis.
Jezus vertelt ons zondag de gelijkenis van de rijke man en de arme bedelaar Lazarus die voor zijn deur ligt. Lazarus had enkel straathonden rond hem die zijn zweren likten. De rijkaard, gekleed in purper en fijn linnen, gaf elke dag een uitbundig feest voor zijn vrienden. Als ze ongeveer gelijk overlijden, is de eervolle begrafenis bestemd voor de rijkaard. Hopelijk kreeg Lazarus een (eenvoudig) graf. Beiden moeten alles achterlaten.
Waarschijnlijk dacht de rijkaard tijdens zijn leven dat bedelaars zijn zoals de duiven op het plein, ze blijven komen zolang je ze eten geeft. Zijn harteloosheid en gewetenloosheid waren noodzakelijk voor zijn gemoedsrust en die van zijn feestvierders. Zijn menselijkheid had hij lang geleden verkocht, en hij had met de opbrengst een rijk leven gebouwd. Lazarus van zijn kant bezat niets, hij had enkel zijn menselijkheid die hij nooit verloochend had.
Het leven van de rijkaard was gevuld met uitwendigheden, maar was leeg aan menselijkheid. Bij Lazarus was het omgekeerd. De eeuwigheid na hun dood was even tegengesteld. Voor Lazarus wachtte onsterfelijke menselijkheid. De rijkaard kreeg eeuwige onmenselijkheid, zonder purper en fijn linnen. (Vik)