Af en toe lezen we over mensen die ongelukkig zijn hoewel ze steenrijk zijn. Geld maakt niet gelukkig, denken we dan. Zondag vertelt Lucas ons over zo’n man, Zacheüs. Hij woonde in Jericho, was hoofd van de tollenaars en schatrijk. In Jericho moest niemand van hem hebben, hij werkte samen met de Romeinse bezetter, en had de gewoonte om mensen af te persen.
Hij was klein van gestalte, schrijft Lucas. Zou het kunnen dat hij in zijn jeugd hierom geminacht werd en genegeerd? Voelde hij zich uitgesloten en was hij daarom bij de bezetter aan een carrière begonnen die hem wél aanzien en status zou verschaffen? Het had hem uiteindelijk niet gelukkig gemaakt, zijn volksgenoten spuwden hem uit.
Hij wilde Jezus wel eens zien. Waarschijnlijk had hij gehoord dat Jezus er geen probleem van maakte om met tollenaars samen te zitten en te eten. Hij wilde eigenlijk dat Jezus hem zou zien, in Jericho, waar niemand hem wilde zien.
Omdat Zacheüs klein was belemmerden de mensen hem het zicht. Hij moest dus weer een truc uithalen om boven hen uit te komen, en klom in een boom.
Jezus zag Zacheüs en herkende onmiddellijk een mens in nood. Zacheüs, kom vlug naar beneden want vandaag moet ik bij u te gast zijn, zei hij. Het is dringend en noodzakelijk: het moet vlug. Zeer waarschijnlijk waren er in Jericho genoeg rechtschapen mensen te vinden met een groot huis waar Jezus had kunnen verblijven. Toch koos Jezus ervoor om te doen wat iedereen schandelijk vond. Geen enkel gebod of verbod, religieus of ander, heeft hem ooit tegengehouden om zich door een mens in nood te laten raken.
Jezus zag in de ogen van Zacheüs een mens die gevangen zit, een blik die smeekt om er weer te mogen bij horen, weer iets te mogen betekenen voor zijn mensen. En Zacheüs zag in Jezus iemand die hem wilde zien, graag wilde zien. Het werd in het huis van Zacheüs een avond van heropstanding, een avond van dood naar leven. Jezus toonde in de praktijk wat hij bedoelde toen hij vertelde over de herder die één van zijn honderd schapen verloren was.
Jezus had begrip voor de uitzichtloze situatie van Zacheüs. In zijn gastvrijheid voor Jezus ontdekte Zacheüs weer wat hij kon betekenen voor mensen. Hij werd een ander mens, hij moest niet meer ‘groot’ zijn, boven de anderen uitsteken. ‘Wat ik heb afgeperst geef ik viervoudig terug. De helft van mijn bezit geef ik aan de armen.’ De ballast van zijn rijkdom viel weg, Zacheüs was bevrijd. (Vik)