Na de dood

Waarschijnlijk is het niet toevallig dat in deze eerste novemberdagen, echte herfstdagen, de vragen over het einde van ons leven centraal gezet worden. We zien hoe de natuur stopt met groeien en bloeien, en in een kleurig slotakkoord al het onnodige laat vallen. Het is een jaarlijkse vingerwijzing naar de mens om even stil te staan bij de vergankelijkheid van alle leven, ook het eigen leven. Misschien is deze periode van het jaar daarvoor wel geschikt, maar het blijft lastig. Is er leven na de dood?

Zuiver rationeel is het antwoord waarschijnlijk: neen, er is geen leven na de dood. Er is immers geen enkel hard wetenschappelijk bewijs daarvoor. Maar dit antwoord is zo kil, en het doet onrecht aan het diepe menselijke verlangen naar een blijvend leven. Wat goed is willen we behouden, de dood mag geen definitief einde zijn.

Zondag vertelt Lucas in het evangelie dat Jezus ook de vraag kreeg naar een mogelijk leven na de dood. En als het antwoord positief is, hoe we ons dat dan moeten voorstellen.

In al zijn spreken benadrukte Jezus telkens hoezeer God van ons houdt, en hoe we in alles wat op ons pad komt een oneindig vertrouwen mogen hebben in Hem, als onze Vader. Als God zo graag wil dat wij er zijn, dat wij leven, dan is het niet voor te stellen dat Hij ons zou laten vallen bij onze dood. Als mensen iemand verliezen waarvan ze hun hele leven lang gehouden hebben, dan is dat verlies nooit een totaal verlies. De band van liefde die er was verdwijnt immers niet. De liefde blijft levend, in een andere vorm, soms zelfs nog dieper dan voorheen.

Jezus maakt wel duidelijk dat het leven na de dood niet kan vergeleken worden met ons leven nu. In ons leven nu zijn onze lichamelijkheid en het materiƫle belangrijk. Maar als op hogere leeftijd het einde nadert heeft men soms reeds een aanvoelen dat die lichamelijkheid en dat materiƫle niet meer zo essentieel zijn, dat leven misschien ook zonder die elementen mogelijk zou kunnen zijn. Om met vertrouwen in God te mogen zeggen: ik weet dat ik bij U eeuwig leven zal hebben. (Vik)