Altijd maar wachten

Tijdens de advent wordt ons gevraagd om waakzaam te zijn. In die vier weken worden we uitgenodigd om verwachtend uit te kijken naar de komst van de Heer. Met de dag van Kerstmis kunnen we dan weer achteroverleunen: Jezus is geboren, de Mensenzoon waar we zo naar uitkijken.

Dit wachten en verwachten vormt een belangrijke lijn in het leven van christenen. Zondag laat Matteüs hierover Jezus aan het woord: Wees dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.

Maar er is blijkbaar een probleem, want tweeduizend jaar na deze woorden blijven deze christenen maar wachten. We zijn het zo gewoon geworden dat er niets speciaals gebeurt. En ondertussen werken we op de akker, of malen met de molen. We passen op de winkel terwijl we wachten. Alsof er ergens een afspraak zou zijn tussen ons en de Mensenzoon waarbij wij moeten wachten, en Hij moet komen. Wij doen ons deel, Hij moet zijn deel doen.

Zo hebben we het voor onszelf heel comfortabel gemaakt. We hebben de verantwoordelijkheid weggeschoven naar de Heer. We denken dat we klaar zijn als de Mensenzoon komt.

Onze wachten en uitkijken is passief geworden. En daarmee maken we het erg moeilijk voor de Mensenzoon om ooit nog te komen. Als Jezus met Kerstmis zou terugkomen zou hij, evengoed als tweeduizend jaar geleden, na korte tijd het onderspit delven. Hij zou niet welkom zijn, hij zou geen plaats krijgen.

Als we zelf niet meewerken aan de bouw van een Rijk van God, dan is er niets te verwachten. Maar zodra we eraan beginnen zullen we zien dat we met velen zijn, zullen we hoopvol kunnen uitkijken.