Wat is godsdienst, wat of wie is God? Er is door geleerde mensen veel over Hem geschreven, over wie of wat Hij is en niet is. God is een studieonderwerp geworden, en daarmee ook een bron van diepe meningsverschillen. Godsdienst is een bouwwerk geworden vol regels, verplichtingen, geboden en verboden. Het is steeds moeilijker geworden om God zelf in dat bouwwerk nog te vinden, te ontdekken. Godsdienst is een zaak geworden van goed of fout. Het is soms meer een beklemmend wetboek dan een houvast die ondersteunt en bevrijdt.
In Jezus’ tijd was God ook verstopt geraakt achter honderden voorschriften, tempeldiensten en offergaven. Het was dan ook uiterst opmerkelijk dat Jezus God als heel nabij ervaarde. De aanwezigheid van God vlakbij ons was voor Jezus heel duidelijk. Jezus noemde God onze liefhebbende vader. Veel dichter kan je niet bij een mens staan. Zo menselijk als God wilde Jezus zijn. Hij wilde tonen hoe bekommerd God is om de mensen, door zelf voortdurend met mensen begaan te zijn, hen te genezen, op te richten, te bevrijden. Hij was steeds dankbaar, want hij zag voortdurend tekens van Gods weldoende aanwezigheid.
Godsdienst was voor Jezus in de eerste plaats mensendienst. Hij noemde zich ook uitdrukkelijk ‘mensenzoon’, horen we zondag in het evangelie. De mensen gaven hem nog andere titels: Johannes de Doper, of Elia of Jeremia, twee belangrijke profeten uit de Joodse geschiedenis. Heel menselijk, dat zoeken naar een geschikte titel. Wij doen dat vandaag ook nog steeds met onze functietitels bijvoorbeeld. Geen van de titels paste bij Jezus. Petrus had er blijkbaar wat grondiger over nagedacht. Hij vond dat een titel voor Jezus ook moest verwijzen naar diens speciale, unieke band met God. Hij gaf Jezus de titel van Zoon van de levende God, en Christus.
Christus is een Grieks woord dat Gezalfde betekent. In het Hebreeuws is dat Messias. In de geschiedenis van de Joden werden de koningen gezalfd. Dat was het teken dat ze de vertegenwoordiger van God waren, Gods uitverkorene, zoon van God. Het Joodse volk wachtte in Jezus’ tijd al eeuwen op een nieuwe gezalfde, een nieuwe Messias. Voor Petrus was het dus niet onlogisch om te veronderstellen dat Jezus die nieuwe Messias zou zijn, Christus, iemand die vrede en voorspoed zou brengen voor het Joodse volk. Titels zijn soms lastig. Ze verduidelijken, maar beperken tegelijk. Ze kunnen nooit de volledige waarheid omvatten. Zelf wilde Jezus niet dat voor hem de titel van Christus gebruikt werd, horen we in het evangelie. Misschien was dat omdat die verwijst naar koningschap en heerschappij, zaken waar Jezus niet op uit was. Want omdat God zo belangrijk was voor hem, wilde hij dienstbaarheid en menselijkheid centraal zetten.