Alles verandert. Zelfs het water dat stroomt in de beek is steeds ander water, wist de filosoof uit het oude Griekenland. Nu de bladeren aan de bomen verkleuren en afvallen, valt het ons weer op. Gelukkig weten we dat in de lente nieuw leven zal groeien uit alles wat nu verdwijnt. De natuur verandert constant, net zoals de samenleving.
Je kan evengoed zeggen dat niets verandert. Wie kijkt naar de grotere patronen ziet vooral herhaling van hetzelfde. Elk jaar in de herfst vallen de bladeren. Elk jaar in de lente groeit het graan en wordt het geoogst in de zomer. Ook de mensen blijven mensen – ze houden van elkaar of ze maken ruzie, ze gaan werken, krijgen kinderen. Zo is het altijd geweest.
Het kan heel geruststellend zijn om te zien dat er eigenlijk niets verandert. Dat geeft zekerheid, het is voorspelbaar. Maar voor andere mensen kan het aanvoelen als een keurslijf. Ze willen niet gebonden zijn door teveel tradities. Zo gebeurt het dat er mensen zijn die ervan houden dat alles blijft zoals het is. En dat er anderzijds mensen zijn die dat onnatuurlijk vinden en daar helemaal niet van willen horen.
Jezus was geen van beide. Hij was geen revolutionair die alles wilde omvergooien. Maar hij was wel een tegenstander van wie alles wilde behouden zoals het was. Want voor Jezus was er teveel armoede, onrecht, leed en hardheid in de wereld. Ommekeer en verandering waren dus nodig. Elke mens heeft de mogelijkheid om een steentje bij te dragen aan een betere wereld. Die kans niet benutten vond Jezus onaanvaardbaar.
Zondag horen we in het evangelie hoe Jezus vertelt over enkele dienaars die talenten kregen van hun heer. Twee van hen gingen ermee aan de slag. Maar de derde verstopte zijn talent, deed er niets mee. Een talent had nochtans de waarde van zesduizend daglonen, een aanzienlijk bedrag dus.
De derde dienaar wilde geen geschenken, die maakten hem ongemakkelijk en onzeker. Hij hield van vaste tradities, niet van veranderingen. Het gekregen talent bleef eigendom van zijn heer, vond hij. Hij zou het teruggeven. Iets gratis krijgen was voor hem niet mogelijk. Nieuwe en onbekende dingen maakten hem bang. Mensen die oogsten waar ze niet gezaaid hebben maakten hem bang. Mensen die binnenhalen waar ze niet hebben uitgestrooid boezemden hem angst in. Hij tastte in het duister over wat hij met het gekregen talent zou kunnen doen. Hij zou er uiteindelijk nog tranen om wenen.
Een talent heeft geen geldwaarde meer vandaag, maar de betekenis is gebleven. Onze talenten zijn unieke en waardevolle geschenken, met rijke en ongekende mogelijkheden. Wie zijn talenten niet gebruikt, kiest ervoor om te bestendigen wat bestaat. Die hoopt misschien op applaus van de voorvaderen. Maar die zijn al lang overleden. (Mt 25, 14-30)