De vinger op de wonde

Thomas uit het evangelie van zondag zou vandaag veel gelijkgezinden treffen. Vele mensen huldigen het standpunt: eerst zien en dan pas geloven. Is dat niet een terechte aanpak? Is het wel voorzichtig om iets voor waar aan te nemen, louter omdat iemand zegt dat het waar is?

Thomas had een bijnaam, Didymus, of tweeling. Tweeling als bijnaam krijgen, dat is vreemd. Waarschijnlijk stond Thomas erom bekend dat hij graag de zaken vanuit meerdere standpunten wilde bekijken. Mogelijk was hij ook nu weer aan de ene kant geneigd om de hoopvolle boodschap van de andere apostelen te geloven, terwijl hij aan de andere kant zijn twijfel niet kon onderdrukken. Thomas wilde zien, voelen, begrijpen, persoonlijk ervaren. En hij wilde eerlijk zijn. Hij was in tweestrijd.

Zoals elk van de apostelen was Thomas ongetwijfeld zeer geschokt en gekwetst door de verschrikkelijke dood van Jezus. Jezus had hem opgenomen in de groep van leerlingen, en dat had sindsdien zijn leven veranderd. Maar met de dood van Jezus was zijn toekomst ingestort. Het voelde alsof hij weer was teruggevallen naar de periode vóór hij Jezus kende. Dat was een tijd waaraan hij liever niet meer dacht. Sinds hij meeging met Jezus was het met hem veel beter gegaan. Was dat nu onherroepelijk voorbij? Hij kon dat moeilijk aanvaarden.

Hij probeerde de vinger op de wonde leggen. Hij voelde zich hulpeloos en waardeloos, net zoals voorheen, een gevoel dat hij verachtte. Maar in de tijd die hij met Jezus had doorgebracht, had hij zich niet zo gevoeld. Jezus had hem doen inzien dat hij iets van zijn leven kon maken, dat hij zijn droom zelf in handen kon nemen. Wat had Jezus toen gedaan om hem weer zin te geven om te leven? Zou Jezus hem nu ook kunnen helpen?

De gekwetste handen van Jezus brachten Thomas naar zijn jeugd, toen hij dikwijls op de handen werd geslagen. Hij mocht niets, niets vasthouden, niets nemen, strelen, omarmen, hij mocht zijn handen zelfs niet gebruiken om zich te verweren of te beschermen. Hij mocht niet eigenhandig zijn, altijd was toestemming nodig. In Jezus’ doorstoken hart voelde hij weer het uitgedroogde hart van zijn jeugd.

Thomas herinnerde zich dat Jezus hem had aangemoedigd om zijn leven in eigen handen te nemen, en dromen toe te laten in zijn hart, zonder daarvoor toestemming te vragen. Het was een wonder dat Jezus toen bij hem verricht had. En nu, ondanks die verschrikkelijke dood, voelde hij hoe Jezus opnieuw stilaan zijn handen vrijmaakte. Daarmee besefte hij uiteindelijk: Jezus leeft.

Men kan geloven in God op het voorzeggen van een ander. Maar het is veel sterker om persoonlijk te ervaren hoe God een betrouwbare steun is om tot geluk te komen. (Joh 20, 19-31)