Gelukkig heb ik mijn rieten zonnehoed op,’ dacht God. De bank waarop hij zat, stond in de zon, het was bijna middag. Hij keek naar de schoolpoort, het zou niet lang meer duren of de kinderen mochten naar huis.
Vanmorgen was hij weggegaan uit de kerk, het was er te stil. De mensen wilden wel dat hij altijd in de kerk was, maar zelf kwamen ze er nog maar zelden. Overdag stond de poort open. Niemand had het opgemerkt toen hij met zijn hoed in de hand de kerk uit ging, het pleintje op.
Een moeder was naast hem komen zitten op de bank. Zij had een peuter in een buggy, het hoofdje ook half verstopt onder een zonnehoedje. Ze keek naar de klaprozen die wat verder stonden. ‘Ze zijn prachtig, vindt u ook niet?’ zei ze. ‘Niemand heeft ze geplant of gezaaid. En toch staan ze hier, in het mooiste rood.’ ‘Ja,’ zei hij, ‘de natuur is wonderlijk.’
Hij had het verleerd om veel te zeggen. Hij had al een hele tijd de indruk dat men nog nauwelijks naar hem luisterde. ‘Je kinderen zijn ongetwijfeld ook prachtig,’ zei hij. ‘Ooit zullen ze de wereld verbazen. Is dat niet de wens van elke ouder?’
‘Ja,’ zei ze. ‘Misschien worden ze zoals die klaprozen. Of misschien zoals de stokrozen, die vind ik ook zo mooi. Of zoals de echte rozen, die heerlijk ruiken maar ook doornen hebben.’ Ze lachte. ‘We weten niet hoe het zal gaan. Dag na dag zie ik de kinderen groeien, en ik heb er alle vertrouwen in dat ze het goed zullen doen. Wij zijn er bij, als ouders, we helpen en steunen, maar zij doen het.’
‘Alsof het vanzelf gaat,’ zei hij. Hij hoorde de bel, de eerste kinderen kwamen naar buiten. De moeder stond op. Een jongen in een gele T-shirt stapte in haar richting. ‘Hebt u kinderen op school?’ vroeg ze. ‘Zou het u interesseren om in de ouderraad te komen?’ ‘Ik zal het overwegen,’ zei hij aarzelend. ‘Ik zou wel eens iets nieuws kunnen gebruiken.’
Hij was verbaasd over zijn eerlijkheid. Hij keek hoe ze het voetpad namen in de richting van de nieuwe woonwijk. Ze hadden hem niet herkend, niemand had hem herkend. Het stemde hem vrolijk. Hij besloot dat hij dit vaker moest doen. Hier op de bank gebeurde er tenminste wat. Hier sprak men met hem. Hier wilden ze hem erbij. Hier kon hij misschien nog iets betekenen voor mensen. Hoe verschillend met de kerk waar hij moest wonen.
God herinnerde zich het mosterdzaadje, en hoe uit iets kleins een grote struik groeit. Hier staat er zo een, dacht hij, de vogels van de hemel kunnen in zijn schaduw nestelen. (Mc 4, 26-34)