Door corona en de bijhorende lockdown, werden we plots uit onze gewone routine gegooid. Veel van wat vanzelfsprekend leek, was dat plots niet meer. Familie, vrienden, werk en school, alles moest anders of viel weg. Het was niet eenvoudig. We begonnen te twijfelen over wat we vroeger belangrijk vonden. En omgekeerd, wat vroeger nauwelijks aandacht kreeg, bleek nu essentieel te zijn. Het was een periode waarin we – soms met tegenzin – moesten nadenken over de kern van ons leven: wat is werkelijk belangrijk?
Zondag horen we in het evangelie die vraag opnieuw: wat is het belangrijkste in ons leven? Voor een zeldzame keer waren Jezus en de farizeeër het eens over het antwoord: God liefhebben, en onze naaste liefhebben zoals onszelf.
Die naaste liefhebben, daar kunnen we ons nog iets bij voorstellen. Maar God liefhebben, da’s andere koek. En dan nog wel met heel je hart, heel je ziel, heel je verstand en heel je kracht. Hoe begin je daaraan? Hoe doe je dat, aan God de centrale plaats geven in je leven?
Wie op een mooie vakantiedag naar de wereld kijkt, die zal geraakt worden door de schoonheid van de natuur. Misschien door op te staan als het nog donker is om samen met je vader naar de zonsopgang te gaan kijken. Om te beseffen dat dit het menselijke ver overtreft. Wie goed kijkt, die zal zien hoe de wereld vol is van schoonheid, liefde en zorg. In de zon en de regen, in de bloemen en de vogels, in de bergen en de sneeuw. In de appels en de noten, in de huizen en de scholen.
Wie goed kijkt, die kan moeilijk anders dan zien hoeveel goedheid en zorg overal aanwezig is, in de natuur, bij dier en mens. Die zal zien dat het zo hoort te zijn, dat het niet anders kan, ook al wordt die vredigheid wel eens verstoord. Maar die verstoringen, die overstromingen, vulkaanuitbarstingen, aardbevingen of oorlog, het zijn uitzonderingen. Ze doen ons beseffen dat de wereld een onleefbare plek zou kunnen zijn, maar dat het zo niet is, integendeel. Ze maken ons duidelijk dat er een kracht is, een adem, die alles doordringt en stuwt naar goedheid en schoonheid, ondanks alle haperingen. In heel de mensengeschiedenis is er die ervaring, en velen hebben die kracht God genoemd.
Mensen kunnen vrij nadenken, en ze hebben er dikwijls voor gekozen om zich te verzetten tegen die stroom van schoonheid en goedheid die de wereld doordesemt. Omdat ze rijkdom en macht belangrijker vonden, wilden ze God niet centraal zetten. Maar uiteindelijk stelt elke mens vroeg of laat vast dat dat een foute weg is. Dat we gemaakt zijn om voor elkaar te zorgen, om voor elkaar muziek te maken, eten te koken, groenten te kweken, huizen te bouwen, fietsen te herstellen, om aan elkaar les te geven, om mekaar te genezen. Zo volgen we Gods bedoeling met de wereld, zo staan God en onze medemens centraal in ons leven. (Mc 12, 28-34)