Over enkele weken begint een nieuw jaar. Het is een moment waarop we mekaar een goede gezondheid toewensen en veel geluk. Dat mag wel eens, gelukgewenst worden, want daaraan ontbreekt het ons meer dan we willen. We dromen van een gelukkig leven, maar het lukt zo dikwijls niet. Dan lopen we rond met een gevoel van onbehagen. We willen het anders, maar we weten niet hoe dat zou moeten.
Sommigen worden dan lastig op hun kinderen of agressief naar hun collega’s, anderen gaan wat meer drinken om het onbehagen te vergeten, of kopen nog eens een nieuwe handtas of gsm. Velen worden ziek. Enkelen durven hulp te vragen, waarschijnlijk de beste optie.
Ook in Jezus’ tijd waren de rozengeur en de maneschijn er niet voor iedereen. Lucas vertelt in het evangelie van zondag hoe vele mensen hulp zochten bij Johannes de Doper. Ze vroegen hem: ‘Wat moeten we doen?’ Hij predikte ommekeer, en hij doopte. Zijn antwoord was verregaand: ‘Wie twee stel onderkleren heeft, moet delen met wie er geen heeft, en wie eten heeft, moet hetzelfde doen.’
Dat antwoord was waarschijnlijk juist, maar zeker onhaalbaar voor de meesten. Met zijn goede bedoelingen zadelde hij uiteindelijk de mensen op met nog meer onbehagen en schuldgevoelens. Ook tollenaars en soldaten vroegen hem: ‘Wat moeten we doen?’ Maar ook aan hen stelde hij een radicale ommekeer voor, te hoog gegrepen.
We herkennen dit zeer goed. Ook wij weten doorgaans wel wat er fout zit in ons leven, wat we anders zouden moeten doen. Maar het lukt niet, en dat maakt ons ongelukkig, ontevreden, lastig. Jezus en Johannes waren daarover bekommerd. Ze kenden elkaar, ze waren familie van elkaar, ze waardeerden elkaar. Maar hun antwoord op wat ze zagen was verschillend.
Johannes riep op tot een andere levenswijze, en hij legde de verantwoordelijkheid daarvoor terug bij de mensen. Jezus van zijn kant begreep dat dit voor de meesten niet lukt. Mensen zitten meestal vast in een situatie die ze niet willen. Zij hebben begrip nodig, aandacht en hulp. Ze willen gehoord worden, niet horen dat ze verkeerd bezig zijn.
De God van Johannes keert zich af van wie niet op het juiste pad gaat. Die God maakt bang, en verdeelt de mensen in goeden en slechten. De God van Jezus echter keert zich moederlijk toe naar wie op het verkeerde pad terechtgekomen is. En op die manier leefde Jezus ook. Hij maakte geen onderscheid tussen mensen, want allemaal hebben ze nood aan begrip, allemaal willen ze gehoord worden. Op die manier kon Jezus mensen genezen, zelfs als ze zich dood waanden.
Allebei waren ze bekommerd om mensen. Maar waar Johannes stopte, daar begon Jezus. Johannes zei het ook: ‘Na mij komt er iemand die meer vermag dan ik, die sterker is.’ Johannes stond in een eeuwenoude traditie. Maar met Jezus zou een nieuwe tijd beginnen. (Lc 3, 10-18)