Waar God zich thuis voelt

‘Waarom hou je zoveel van de armen en de rechtelozen?’ vroegen ze. En God antwoordde: ‘Zij kennen me. Zij weten wie ik ben, waar ik ben, waar ik me thuis voel.’

‘De anderen denken dat ik te vinden ben in geleerde scholen en tempels. Ze denken dat ik altijd bij hen blijf, in hun heilige boeken en kunstige kathedralen. Ook al zeggen ze veel over mij te weten, ze hebben mij nog nooit gezien. Maar dat stoort hen niet. Ze verkondigen dat onzichtbaarheid een kenmerk is van mij, dat ik God niet zou kunnen zijn als ik zichtbaar was voor iedereen. Ze verkondigen dat ze mij zullen zien na hun begrafenis, en dat ze dan op mijn schoot zullen mogen zitten en mijn aangezicht in eeuwigheid aanschouwen. Maar hoe gaan ze mij herkennen als ze mij nooit gezien hebben?’

‘De armen en rechtelozen kennen mij, want ze kijken recht naar het hart van mensen. Ze kijken niet naar geld, verstand of uiterlijkheden. Ze weten hoe vluchtig dat is, hoe het kan verdwijnen in een oogwenk. Ze weten hoe dit iedereen kan treffen. Ze weten wat het betekent om compleet tussen de mazen van het net te vallen, om geen rechten te hebben. Geen recht op zinvol werk, geen recht op een goede gezondheid, geen recht op de vrijheid om te gaan en te staan waar je wil. Mogelijk zelfs geen recht op hulp, als je een paar fouten te veel hebt gemaakt. Zodat je enkel nog niemand mag zijn, een mens die alleen nog door de dieren gezien wordt.’

‘De armen en rechtelozen kennen mij, herkennen mij. Zij hebben hun tranen aan de mouw van mijn trui afgedroogd, zij hebben op mijn arm gesteund, zij hebben hun hoofd tegen mijn aangezicht gelegd en in mijn oor gefluisterd. Ik heb een stuk gekregen van hun laatste boterham met goedkope salami, en ik kreeg hun sjaal als ze hoorden dat ik een venijnige hoest had. Zij wezen mij de weg naar het lokaal van de voedselbank, en naar de studente die mijn papieren op orde bracht.’

‘De armen en de rechtelozen weten waar de hemel is, ze weten waar ik woon. Want de hemel is waar ik thuis ben. Als ooit hun tijd gekomen is, gaan ze zich daar ook thuis voelen. We zullen mekaar direct herkennen en in de armen vallen. We zullen stoelen bijtrekken en borden en glazen op de tafel zetten. We zullen samen huilen omdat het eindelijk voor altijd goed mag zijn, omdat we nooit meer alleen zullen zijn, nooit meer een niemand. We zullen lachen, want we kennen mekaar al zolang, en we zullen gelukkig zijn omdat we voor altijd bij elkaar mogen zijn.’ (Lc 6, 17.20-26)