Zonden vergeven

Ongetwijfeld is het voor vele buitenstaanders een opvallend kenmerk van onze godsdienst: dat we allemaal zondaars zijn. Bij nader toezien zit er heel wat waarheid in die indruk. Wie een eucharistieviering volgt van begin tot einde kan er niet omheen. Het begint bij de schuldbelijdenis, het gaat verder bij de kyrie-litanie, om in de meeste gebeden nadrukkelijk te vermelden hoe zondig de wereld is en hoe zondig en onwaardig wij zijn. Heeft onze godsdienst een obsessie met zonden en zondigheid?

Een begin van antwoord vinden we in het evangelie van zondag. Daar horen we hoe de verrezen Jezus aan de apostelen zegt: ‘Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ Deze zin is gebruikt als basis voor het sacrament van de biecht. 

Tijdens zijn leven heeft Jezus die zin niet gezegd. Hij was trouwens niet geïnteresseerd in de zondigheid van mensen. Hij had een hekel aan het opdelen van de mensen in goeden en slechten, in zondaars en voortreffelijken. Hij toonde voortdurend dat er geen enkele reden kon zijn om mensen af te keuren of weg te zetten als zondaar.

Uiteraard wist Jezus wel dat niemand perfect is, dat niemand zonder fout is. We moeten elkaar dus vergeven, zo vroeg hij om te bidden in het Onzevader. Anders worden we een hel voor elkaar.

Maar onze godsdienst heeft er voor gekozen om van vergeving een verplichting te maken, en alle mensen te beschouwen als zondaars, als daders van verkeerd gedrag. Biechten werd zeer belangrijk, net zoals de eucharistie, om vergeving voor de fouten en verlossing te bekomen. Vergeving door de priester, vertegenwoordiger van God, werd daarmee belangrijker dan het vergeven aan elkaar – zoals Jezus het vroeg. 

Een grote groep mensen bleef en blijft vandaag daardoor in de kou staan: de slachtoffers van het kwade. De daders kunnen van onze priesters vergeving en verlossing bekomen, eventueel bijstand in de gevangenis, terwijl de slachtoffers te horen krijgen dat ze de dader moeten vergeven. Het is een opvallend onevenwicht. Als een godsdienst zich liever richt op zondige daders, dan is dit het trieste gevolg. De zorg voor slachtoffers kreeg minder aandacht, en werd overgelaten aan leken en religieuzen.

Ik vraag me dus af wat de zondagse eucharistie kan bieden aan de slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag, van seksueel misbruik, van verkrachting of geweld. Ik twijfel of ze het op prijs stellen om in de eucharistie te moeten horen dat ze zondig en onwaardig zijn, dat ze berouwvol moeten zijn, hun lot offervaardig moeten dragen en zich moeten verheugen in de vergeving van de zondaars, de daders.

Vergeven is geen simpele kwestie. Onze godsdienst heeft er zich gemakkelijk van af gemaakt door het te verplichten, en heeft daarmee groot onrecht gedaan aan de slachtoffers. Ze heeft bovendien een hoog belang gegeven aan vergeving door de priesters in de biecht, en daarmee nogmaals de slachtoffers in de kou gezet. Ik denk dat het tijd is voor nieuwe inzichten. (Joh 20, 19-31)