Onze ouders zijn voor ons levensbelangrijk. Hun namen zijn de eerste woorden die we als baby kunnen uitspreken: mama, papa. Heel ons leven lang staan ze zeer dicht bij ons, en zelfs als ze er niet meer zijn, kunnen we nog hun aanmoedigende, kritische of goedkeurende stem horen. Uiteraard zijn er nog andere mensen die een grote invloed kunnen hebben op ons, van de leraar die ons de liefde gaf voor geschiedenis, over de buurman die ons inwijdde in het kweken van tomaten, tot de dronkaard die ons met betraande ogen waarschuwde om ver weg te blijven van de drank. Dankzij hen kunnen we onze ouders leren waarderen in hun onvervangbare rol, ondanks hun menselijke beperktheden.
Zondag horen we in het evangelie hoe Jezus in zijn bidden God aansprak met het woord Abba, wat we kunnen vertalen als papa. Hij sprak God aan met een woord dat nabijheid uitdrukt en vertrouwen, zoals kinderen met hun ouders spreken. Dat was nog nooit eerder gebeurd. De namen en de titels voor God waren in die tijd meer vervuld van afstand, ontzag en vrees. God was almachtig, oneindig en streng. Hij kon vijanden verslaan, maar ook zijn volk straffen en afwijzen. Het was zeer ongewoon om God te beschouwen als een vader en hem aan te spreken met Abba, papa.
Jezus had een zeer persoonlijke en nabije band met God, en hij moedigde zijn leerlingen aan om ook zo’n directe en vertrouwelijke relatie met God op te bouwen. Voor Jezus was God niet onbereikbaar en veraf, voor hem waren er geen speciale plaatsen of mensen nodig om met God in contact te komen. Het gebeurde regelmatig dat hij God dichtbij ervaarde en daarover vervuld was met dankbaarheid.
Ook voor ons zijn dergelijke ervaringen niet onbekend. Ze gebeuren als we samen feest vieren met vrienden of familie, en we plots een diepe verbondenheid voelen. Als we getuige mogen zijn van een kind dat geboren wordt, en daarin een glinstering ontdekken van oneindige schoonheid. Als we iemand graag zien en mogen horen dat die voor altijd bij ons wil blijven. Als we doodziek zijn en iemand onze hand vasthoudt, zodat we niet meer alleen zijn. Als we compleet in de knoop zitten met onszelf, en iemand zo intens naar ons luistert dat we ons bevrijd voelen.
Het zijn heilige momenten, ogenblikken waarin we even mogen proeven van eeuwigheid en verbondenheid. Het zijn sacrale momenten, sacramenten, ogenblikken waarin onze eenzaamheid verdwijnt en diepe dankbaarheid ons overspoelt. Alsof God zelf ons aanraakt en we ons volkomen thuis voelen, als een kind bij mama en papa.
Jezus wist dat, en daarom gebruikte hij graag het woord Abba om met God te spreken. Tempels en priesters kunnen nuttig zijn om God te ontdekken en te eren, zei hij, maar ze zijn niet nodig. God wil zeer rechtstreeks en persoonlijk bij ons zijn. Wie ogen en oren openhoudt, ziet Hem overal, op elke plek waar eenzaamheid verdwijnt en mensen zich geborgen voelen als kind bij hun ouders. (Lc 11, 1-13)