Elke zomer kijken we ernaar uit om enkele dagen dichter bij de natuur te kunnen leven. Het water, de bergen, bossen of glooiende landschappen, ze blijven ons aantrekken. Telkens weer zijn we onder de indruk van de schoonheid van de natuur en willen we er deel van uitmaken, ons erin onderdompelen. Sommigen maken zelfs verre reizen om zich helemaal te laten overweldigen door onvoorstelbare landschappen.
We houden van de natuur, en dat is terecht. Haar schoonheid is vaak onovertroffen, dat beseffen we steeds meer. Maar onze liefde voor de natuur is niet wederkerig. Het kan de natuur weinig schelen of we het bij haar wel naar onze zin hebben. Ondraaglijke hitte of verwoestende regenval zijn hiervan een duidelijk bewijs, om niet te spreken van aardbevingen of overstromingen die duizenden levens kosten. Wij denken misschien dat we de koningen zijn van de natuur, maar onze aanwezigheid laat haar totaal koud.
De natuur kan genadeloos zijn, en bij nader toezien moeten we toegeven dat wij als mensen niet zo veel beter zijn. Is het omdat we de natuur daarbij als voorbeeld nemen, of als rechtvaardiging? Vele mensen krijgen de boodschap dat ze ongewenst zijn, omdat ze een andere huidskleur hebben, een andere politieke overtuiging of een andere godsdienst. Of omdat ze geen diploma hebben, geen job en geen huis. Of omdat ze iets mispeuterd hebben, enkele jaren in de gevangenis hebben doorgebracht. Mensen hebben altijd redenen gevonden om genadeloos te zijn tegen al wie niet hun kraam paste.
Als zowel de natuur als onze medemensen niet of nauwelijks om ons bekommerd zijn, wat is dan de zin van ons bestaan? Zondag horen we van Jezus dat God wel bekommerd is om ons. Hij is bekommerd om iedereen, ook om de mensen die verdwaald zijn, verloren zijn, ook om de nietsnutten, en zelfs om wie door eigen fout door iedereen uitgespuwd wordt. God zal op zoek blijven gaan naar die mensen, Hij zal op de uitkijk blijven staan, Hij zal ze tegemoet lopen als ze in de verte terug opduiken.
Voor de natuur is het totaal onverschillig dat de mens er is. Voor de meeste mensen is het totaal onverschillig dat jij er bent. Maar voor God is dat niet het geval. Voor Hem mag je er zijn, meer zelfs, Hij wil dat jij er bent, jij bent uniek en Hij wil je niet verliezen. Hij zal naar jou op zoek gaan als je verloren bent, zoals een herder, zoals een vader of een moeder.
Jezus beschrijft de vreugde bij het terugvinden van wat verloren was, het schaap, het geldstuk, de zoon. Hij verduidelijkt daarmee ook waarom we op zondag feestvieren rond brood en wijn. Want je broer was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden. Dan kunnen we toch alleen maar feestvieren en blij zijn? Ook wij willen niet onverschillig zijn ten opzichte van onze medemensen. (Lc 15, 1-32)