Beminde gelovigen?

Zondagse kerkgangers worden vaak ‘gelovigen’ genoemd. Tijdens het sermoen worden ze door de pastoor aangesproken met ‘beminde gelovigen’. Om te weten of iemand een christen is zal men vragen: bent u gelovig? Het is blijkbaar een kenmerk van de christenen: ze geloven. Van vurige christenen wordt gezegd dat ze een groot geloof hebben, een geloof dat bergen verzet.

In de zondagse vieringen krijgt de geloofsbelijdenis een belangrijke plaats. Daarin wordt het geloof uitgedrukt in vier punten: geloof in God, in Jezus, in de Geest, en in de Kerk. Christenen moeten dus niet enkel in God geloven, zo blijkt hieruit, het is ingewikkelder. De geloofsbelijdenis is een gedetailleerd programma over wie God is, over wie Jezus is, over wat hij gedaan heeft en nog veel meer. Uiteindelijk omvat ons geloof een ruim pakket van waarheden en zekerheden, en het vraagt enkele jaren studie om het geheel te kennen en te begrijpen.

Als het geloof de kern zou zijn van het christendom, dan zouden de meesten onder ons moeten erkennen dat ze ruim te kort schieten. Weinigen kennen immers alle geloofspunten, en nog minder begrijpen ook hun betekenis. We zijn dan ‘kleingelovigen’, want het ontbreekt ons aan de nodige kennis.

In de tijd van Jezus kwamen mensen naar hem toe omdat ze genezen wilden worden. Ze wilden gered worden uit verlamming, verblinding, uit ziekte of dood. Telkens zei Jezus hen: ‘je geloof heeft je gered’. Jezus verwees toen echter nooit naar een uitgebreide kennis van alle geloofspunten in de godsdienst. Hij verwees naar iets anders, en dat is het vertrouwen. We zouden beter zijn woorden vertalen als: ‘je vertrouwen heeft je gered’.

Vertrouwen en geloven liggen dicht bij elkaar, maar zijn verschillend. Geloven is iets dat zich vooral in het hoofd afspeelt. Je kan zeggen dat wie alleen maar gelooft, de levensvragen te lijf gaat met klare antwoorden en zekerheden. Vertrouwen daarentegen zit niet alleen in het hoofd, het zit breder en dieper, ook in het hart. Wie vertrouwt, die heeft minder behoefte om de onzekerheden te verjagen. Hij aanvaardt ze met het vertrouwen dat alles goed komt. Wie vertrouwt, laat zich niet leiden door angst, en voelt dus niet de aandrang om op alle vragen telkens een antwoord te hebben. Wie vertrouwt, gelooft in de waarde en de goedheid van elke mens en in de ultieme goedheid van God.

Misschien is het dus beter om te stellen dat de kern van ons geloof ons vertrouwen is. Dat het kenmerk van de christen niet is dat hij gelooft, maar dat hij of zij vol vertrouwen in het leven staat. Dat de onzekerheden in het leven voor de christenen geen bron van angst meer zijn, maar een bron van mogelijkheden en kansen. Christenen zoeken in de teksten van het oude en het nieuwe testament geen zekerheden en voorschriften om hun angsten te onderdrukken, maar ze vinden er inspirerende verhalen over hoe mensen in hun vertrouwen in God en in elkaar niet beschaamd worden. (Lc 17, 5-10)