Sommige beroepen zijn minder populair dan andere. De belastingontvanger heeft zo geen al te beste reputatie. De bankier heeft ook betere tijden gekend. De lijkschouwer en de grafdelver zullen nooit erg populair worden. Maar gelukkig weten we ondertussen dat al die beroepen nodig zijn, ook al is niet altijd duidelijk waarom sommige beroepen financieel weinig gewaardeerd worden.
In Jezus’ tijd waren de tollenaars een verfoeide beroepsgroep. Als belastingontvangers werkten ze voor de overheid, de Romeinse bezettingsmacht. Ze waren dus collaborateurs, en hadden weinig scrupules als het op geldzaken aankwam. Het was aangewezen om niet met hen in conflict te liggen. Niemand zou er aan denken om met een tollenaar bevriend te zijn. Ze waren doorgaans welgesteld, maar zouden nooit bekeken worden als een eerbare burger.
De farizeeërs echter waren modelburgers. Daardoor konden ze natuurlijk soms streng overkomen in hun perfectie, een beetje irritant en neerbuigend. Ze waren hooggeschoold. Hun kennis was groot, ze waren altijd bereid om informatie en goede raad te geven. Ze respecteerden de wetten en voorschriften tot in de puntjes. Hun gedrag was voorbeeldig, ze waren zeer betrouwbaar. Het was geen slechte zaak om hen tot vriend te hebben, want ze hadden veel invloed.
Maar zondag horen we in het evangelie hoe Jezus een gelijkenis vertelt die ons beeld van de twee beroepen helemaal omkeert. Hij spreekt over hun diepste gedachten, en die zijn niet fraai voor de farizeeër. De farizeeërs namen het hem zeer kwalijk, en Jezus zou het later uiteindelijk met de dood moeten bekopen. De tollenaar van zijn kant wordt sympathiek voorgesteld, nederig en berouwvol.
Het is een omkering die kan tellen. Wat wit was, wordt zwart, en omgekeerd is het zwarte nu wit. Maar het is niet zeker dat Jezus ons oude oordeel door een nieuw oordeel wil vervangen. Hij wil er ons vooral op wijzen dat we opvallend gemakkelijk een oordeel klaar hebben, en dat we ons daarin danig kunnen vergissen. Met zijn gelijkenis wil hij ons oproepen om veel voorzichtiger te zijn in ons oordeel over mensen.
Iemand beoordelen op basis van het beroep is dus geen goed idee. En de huidskleur, de nationaliteit, het geslacht of de taal zijn evenmin bruikbaar, zo weten we ondertussen. De concrete mens is immers veel rijker en dieper dan die uiterlijke kenmerken. Wees zeer terughoudend met je oordeel, zo klinkt de waarschuwing van Jezus in het evangelie.
Dat was ook het kenmerk van Jezus. Hij wilde mensen niet beoordelen, hij wilde ze in de eerste plaats beter leren kennen. Hij ging dus met plezier aan tafel met zowel tollenaars als farizeeërs, met arm en rijk. Want iedereen zit wel eens op een bepaalde manier klem in het leven, iedereen loopt wel eens verloren, zonder het te willen. Dan wilde Jezus niet oordelen, maar een hand geven, aandacht geven, luisteren. Hij wilde geen God zijn die hier en nu op aarde reeds de toegangskaarten uitdeelt voor de hemel of de hel. (Lc 18, 9-14)